Translate my blog

dinsdag 13 december 2011

Kringdans bij maaneclips

volle maan:)

Op de website van de Vereniging voor Sterrenkunde (België): 
"Op 10 december zal er zich een totale maansverduistering voordoen. Helaas zal deze verduistering in onze contreien slechts te zien zijn bij maanopkomst en dit nadat de totale fase reeds voorbij is. (...)  Een goede reden om deze maansverduistering te gaan waarnemen in Indië ...!"

:-) !!!!!!!!!!!!

En zo komt het dat ik na een week zwijgend samenleven in een Zencentrum, bovenop een plat dak sta in de bergen van Tamil Nadu, India. Reden: volle maan/maaneclips. Teleurstelling want geen maan te zien: we turen een dik zwart wolkendek in. Driedubbele teleurstelling, want vannacht is de laatste volle maan van het jaar én totale maanverduistering. Een buitenkans van eens om de vier jaar.

Iemand zet zeven kaarsen in een cirkel. Iemand zet zilveren potjes met bloemen. En dan, heel onverwacht schuiven de wolken weg. Een volle maan in al haar glorie, twee dikke minuten lang. 'Ooo!' en 'Aaaaa!' in het Engels, Duits, Russisch, Spaans, Portugees, Italiaans en ... Vlaams. Een zwarte schijf met gouden rand: is dat de zon voor de maan? Werkelijk een magisch moment. Dan verdwijnt ze weer achter de wolken, maar we zien hoe ze boven het wolkendek haar licht verspreidt.

We geven elkaar een hand en maken een cirkel. We bassen het oergeluid: ‘ohm’. Iemand spreekt een wens uit: ‘Voor wereldvrede' en 'onze cirkel als symbool’.

De maan vertoont zich niet meer. Toch blijven we op het dak zitten. Doen een reeks ‘maanyoga’ (een aantal zonnegroeten, maar dan voor de maan). Op blote voeten en blote handen. Zonder mat of toebehoren. Iemand geeft een hoed rond. Daarin zit voor ieder een papieren wens. Op mijn papiertje: ‘Voel de golf van leven in je lichaam.’
Als afscheid een omhelzing: doorgeven van energie. Diep ademen. Borst tegen borst. Buik tegen buik. Dat het volslagen onbekenden zijn die ik tegen mijn lijf aandruk, zal me worst wezen. Het gaat om het geven.

Ja. Zo komt het dus dat je op een plat dak staat in de bergen van Tamil Nadu. In een cirkel. Bij volle maan.  En over dat zwijgend samenleven: het brengt de essentie naar de oppervlakte.  Omdat we weinig spreektijd hebben, is er geen tijd voor overbodigheid. We doen (samen) wat we belangrijk vinden. En er wordt niet over gepraat:)

vrijdag 9 december 2011

Zen in India


meditatiehal Bodhi Zendo

Wat ik ‘ben’, vragen ze me hier. ‘Ze’ dat zijn de tientallen reizigers –lees: westerlingen- die net zoals ik gestrand zijn in Bodhi Zendo, een meditatiecentrum in Tamil Nadu, India. De meesten zijn al maandenlang op rondreis door India. Ik ben met mijn reisvisum voor ‘slechts’ drie maanden een absoluut watje.
‘Leerkracht’, antwoord ik voor het gemak. Want dat is wat ik tien jaar deed: lesgeven. Hoofdzakelijk Nederlands. Aan klein en groot. Ondertussen heb ik me hier al vaak vragen bij gesteld. Want hoe langer, hoe minder ik me nog ‘leerkracht’ voel. (En Hipperdehoi daarvoor want leerkrachten zijn niet altijd de fijnste mensen om tegen te komen –vaak verschrikkelijke betweters en hokjesdenkers, wil je écht niet mee in discussie treden:). Hoe meer ik echter probeer uit te leggen wat ik ‘ben’, hoe verder ik me ervan verwijderd voel. Wie ‘ben’ ik nog? Want diegene die ik hier probeer te omschrijven, bestaat niet meer. Ik ‘ben’ nu geen leerkracht. Ik ‘ben’ trouwens nog heel weinig van wat ik was. En dat heeft al vaak voor pittige discussies met mezelf gezorgd. In alle stilte, weliswaar.

Bodhi Zendo

Over stilte
‘Zijn’ doe ik de laatste tijd veel. In stilte. Gewoon zitten op een meditatiekussen. Of gewoon met een boek in de tuin. Het is al zover gekomen dat ik nog weinig geluid verdraag. Radio en televisie tegelijk aan? Dan sla ik tilt (vraag maar aan mijn ouders die een aantal weken mijn stiltedwang hebben meegemaakt). En toch: stilte is mijn grootste (her)ontdekking. Sta me toe even een herinnering in te duiken: als klein meisje (om en bij vijf jaar oud) hield ik ervan om ’s ochtends heel vroeg op te staan. Reden: dan had ik de stilte helemaal voor mezelf. Niets of niemand die me stoorde. Alle ruimte rondom mij was helemaal en alleen voor mij. Meestal zette ik me aan het salontafeltje om te tekenen. De voorbije maand bij mijn ouders (ik bracht oktober en half november gedeeltelijk door in het ouderlijk huis – ik waaide af en aan als een ongedurige wind) ontdekte ik dat ik in deze oude gewoonte herviel. Als vanzelf ontwaakte ik om vijf uur ’s ochtends. Dan genoot ik van een warme kop thee, nam een klein ontbijt en zette me aan het lezen of schrijven. Tegen de tijd dat mijn ouders beneden kwamen (zo rond acht), had ik mijn portie stilte en concentratie voor de dag gehad. Heerlijk vond ik die uren. Ja, ik ontdekte opnieuw: stilte is mijn grootste rijkdom.

Het werkwoord ‘zijn’
Ik luister hier veel naar verhalen van anderen. Vraag hen op mijn beurt naar het werkwoord ‘zijn’, en hoe zij dat invullen. Ook zij voelen de twijfel, ook zij ervaren hoe het ‘zijn’ in stilte met elkaar, dag na dag de stugge lagen rondom je kern afpellen. Hier in de stilte van de bergen, heeft niemand wat aan je boodschappen van buitenaf. Je bent hoogstens ‘interessant’. Belangrijk hier is dat je elkaar niet stoort met je ‘zijn’. Opdringerigheid, een grote bek, show en grote ego’s zijn hier niet op hun plaats. Dus ja? Blijft over: hoe vul je het werkwoord ‘zijn’ in? Welke informatie deel je al dan niet met elkaar?

Dringende stilte
Maar terug naar de stilte, die ik in deze periode van mijn leven zo dringend nodig heb. De voorbije maanden  bracht ik al meerdere periodes in complete stilte door. Eerst in Indonesië.  Daarna voornamelijk in Italië en gewoon: in Vlaamse en Waalse heerlijke tuinen. En het moet gezegd: het heeft me volledig binnenste buiten gekeerd. Alsof ik nu mijn hart in mijn handen draag. Van oude maskers blijft weinig heel. En ja, dat maakt me nu vaak heel kleintjes en onzeker. Is dat erg? Mwaah. Hangt er vanaf wie ik voor me heb staan. Schiet er dan nog iets over van die geweldig straffe  zelfzekere ‘madam’ die ik tot voor mijn sabbatperiode was? Uiteraard. Verschil is dat het geen masker meer is. Als ik nu straf ben, komt het van binnenuit (betekent dus dat je vanaf nu écht moet oppassen.


Waar ik vroeger emoties wegslikte, schieten ze nu van hoog naar laag en daartussenin. Een roetsjbaan aan emoties, dat ben ik nu. Nieuw. En af en toe pijnlijk. Ik struikel ook vaak over oude nieuwigheden, of nieuwe ouwigheden. Hiermee bedoel ik het volgende: wat ik ooit vanzelfsprekend vond, vind ik niet meer zo vanzelfsprekend, aanvaardbaar, enz. En ook omgekeerd: ik leerde hartelijk lachen om wat ik dacht onoverkomelijke problemen te zijn. Vooral het af en aan reizen (voor de goede volgorde: vanaf mei 2011 verbleef ik in Italië-Griekenland-Italië-België-Italië-België-Italië-België-Duitsland-België-India-het lijkt wel een voetbalscore!) leerde me overleven zonder masker, met hoog oplopende emoties en angsten en al het vuurwerk dat erbij hoort. Het samenleven –al dan niet in stilte- met zoveel boeiende mensen heeft me daarin opnieuw geschoold.

Waar wie ‘ben’ ik nu? Nog altijd een beetje die leerkracht van vroeger (dat merk ik vooral als ik oud-leerlingen tegen het lijf loop of wanneer ze me contacteren met een vraag). Dan schiet ik in mijn oude rol. Maar ik ‘ben’ vooral volop in het experiment. Hier en nu, in de stilte van Bodhi Zendo ‘ben’ ik vooral in het tekenen (elke dag speel ik hier met waterverf) en het schrijven. Zoals nu. Daarnaast ‘ben’ ik ontzettend behoeftig aan nieuwe leermeesters. Ja, ik zoek antwoorden op een aantal vragen die me al jaren bezighouden. Mijn oude leermeesters schuiven in gedachten voorbij. Ik laat ze los. Ze zijn van geen tel meer. Veel van wat ik ooit leerde, resoneert niet meer met wat ik nu zie, hoor en voel.

Loslaten
Ik probeer vooral los te laten. Ja, ook en zelfs de vragen die ik denk zo belangrijk te vinden. Sommige antwoorden laten zich immers niet vinden in het denken. Ik leer wat belangrijk is om me goed te voelen: (adem)ruimte, stilte, vrolijkheid, dans, kleur, zon.  Ik zoek wat ik nodig heb om mijn blik te verscherpen. Zo hoop ik anderen beter te voelen en ruimte te geven. Ik schuif. De wereld schuift. Iedereen schuift en verandert. Everything is in motion.

Loslaten, loslaten, loslaten. Zoals iemand me ooit zei: ‘Pas als je loslaat, komt het naar je toe.’ En dat heb ik nog nooit zo sterk ervaren als nu. 
En nu. 
En ook nu.

Over liefde. Alweer.

Bloem aan Bodhi Zendo, Tamil Nadu, India

‘Waarover gaat je lied?’ vroeg ik vanochtend. 
‘Over liefde.'  En je zei ook: 'Alweer'.

Bestaat er iets anders dan om over te schrijven?
Bestaat er iets anders dat even belangrijk is? 
We leven het liefst vanuit liefde. 
Als er geen liefde is, is er niets.

zondag 20 november 2011

Memory - verhaal in stad, stad in verhaal

Antwerp by night

Ik fiets graag in een stille stad. Dus fiets ik vaak ’s nachts, en kies dan straten uit die ik anders zelden aandoe. Het liefst fiets ik waar de verkeerslichten me brengen. Rood? Dan wacht ik niet, maar sla een andere weg in. Ik maak er een spelletje van om zonder stoppen thuis te geraken. En hoe goed ik soms denk de stad te kennen –er is geen buurt, geen straat waarin ik verdwaal- is ze me telkens een stapje voor. Jij die dacht mij te kennen? Well, let’s have another surprise!


Zo kom ik lichtjes aangeschoten van een feestje ergens aan de Scheldekaaien. Het is één uur, een deftig tijdstip voor een jonge vrouw als ik. Mijn weg naar huis vraagt in principe niet meer dan een kwartiertje trappen. Het eerste rode stoplicht stuurt me echter de andere kant uit, de hoerenbuurt in: ik laveer mijn fiets door een zee van mannen.  Dan doorkruis ik de studentenbuurt: vrouwelijk schoon op hoge hakken en met uitgelopen mascara om waterige ogen, bierhijsende boys in strakke trendy jasjes die, ondanks de novemberkoude, veel te wijd open hangen. Muziek en tumult en grote grijnzen, ondanks de nakende examenperiode. Ik fiets doorheen de jodenbuurt: zwarte hoge hoeden schuiven in stilte langs huizenrijen, geheime sigaretten in de knuisten gekneld. Voorbij het stadspark, vlakbij het politiekantoor, versperren drie zwarte vetkuiven me de weg. Ik gooi mijn remmen dicht en sla beide benen horizontaal uit om het evenwicht te bewaren. Drie paar donkere ogen lachen: ‘Wo-ow! Geweldige stop!’ Dan wijst een vetkuif een kleine vrouw aan die zich achter hen verschuilt: lichte huid onder vale bruine haren, sportief truitje boven jeans. Ik schat haar een jaar of 45. Ze is zichtbaar dronken en in haar ogen lees ik paniek. 

‘Weet u misschien hoe mevrouw hier naar de Memory kan stappen? Wij weten niet waar het is.’ Memory? Nog nooit van gehoord. Grote kans ook dat de memorie van de vrouw in kwestie te beneveld  is om het zich te herinneren. De dame wringt zich tussen het groepje en mijn fiets in. Uit haar gebroken verhaal blijkt al snel dat haar handtas werd gestolen door een groepje liftende jongeren. ‘De politie heeft me meegenomen naar dit kantoor, maar ze willen me niet terugbrengen naar mijn auto. En die staat aan de Memory geparkeerd.’ Terwijl ze spreekt wappert ze met papieren en een autosleutel. ‘Dit is alles wat ik nog heb. Een bewijs van diefstal. Portefeuille, bankkaarten … alles ben ik kwijt. Begrijpt ge? Ik kan zelfs geen klote taxi betalen.’ Ze spreekt met een zwaar Oost-Vlaams accent. ‘Ik ken mijn weg in Antwerpen niet. Ik kom nooit hier in ’t centrum. Ik werk op de kerncentrale van Doel, begrijpt ge? Bij de vei-lig-heid! ' Dit laatste zegt ze luid en nadrukkelijk, alsof ze zichzelf daarmee een veilige deken om de schouders kan gooien. Ze ratelt verder: 'Ook de sleutels van mijn werk zijn gestolen. Een ramp. Ik ben veiligheidsverantwoordelijke. Ze kunnen de centrale in! Begrijpt ge? Dus ge begrijpt? ' 'Ja, mevrouw. Ik begrijp het', zeg ik. Ik stel voor samen met haar opnieuw naar het politiekantoor te gaan. ‘Hoe heet je?’ ‘Gaby.’ ‘Okee, Gaby’, zeg ik, ‘kom mee met mij.’ Het groepje vetkuiven wenst me vrolijk succes. 

Politiekantoor in.  Valt me dat tegen:  een lange rij klanten aan de politiekassa.  Ongeduldig richt ik me tot een agent die me vriendelijk lijkt. 'Deze vrouw heeft hier zonet aangifte van diefstal gedaan. Ze is naar dit kantoor gebracht door een politiewagen. Maar nu zoekt ze de Memory, want haar wagen staat daar geparkeerd. Kan u mij zeggen waar dat is?'  De agent kijkt me medelijdend aan, over het hoofd van Gaby heen. Opzettelijk, want het is duidelijk dat hij met haar geen enkele vorm van communicatie wil. 'Zij is nog veel te dronken. Zij mag nog niet achter het stuur. Laat haar maar een paar uurtjes ontnuchteren.' Ik voel hoe hij me zowaar in de rol van bezorgde moeder duwt. Alsof de vrouw die ik zonet binnentrok, mijn dochter is. En het werkt nog ook, want, ergens voel ik me een beetje verantwoordelijk worden. 'Hoezo', zeg ik, 'moet ze dan de hele verdere nacht in de straten ronddwalen? En opnieuw bestolen worden? Kan ze hier niet terecht?' Mijn hoop om haar in veilige handen achter te laten, wordt meteen de kop ingedrukt.  'Tja, wij zijn geen opvangtehuis voor alcoholisten.’ En daarmee is de kous af. ‘En de Memory?’ probeer ik nog. ‘Altijd rechtdoor.’ Gaby speelt nog even haar rol van lastige dochter uit: ze zeurt en jengelt als een klein kind.  'Klote flikken! Mij zomaar op straat laten staan! Nul komma nul respect krijg ik! ' Uit vrees dat ze nog meer fraais wil uitkramen, duw ik haar met geweld buiten. ‘Komt in orde’, zeg ik zowel tegen haar als de agent ,‘ik breng haar naar de Memory.’

Eenmaal buiten beveel ik haar achterop mijn fiets te springen. Opnieuw fiets ik dwars de stad door, maar nu met een onbekend doel. De aanwijzingen van de dame zijn vaag. Het trappen is zwaar. En zo gebeurt het dat ik me in een slapende stad plots verbonden ga voelen met een onbekende. Mijn rug aanhoort haar verhaal. Mijn lendenen voelen de greep van twee vreemde handen. Plots wordt me vertrouwen in de schoot geworpen, en is het aan mij om daar iets mee te doen. Ik fiets haar helemaal naar de stadsrand. Wanneer zij vragen stelt, vertel ik haar hoeveel ik van de stad en van stilte houd. Aan de Singel wordt haar geheugen helderder. ‘Het is die kant uit.’ Ze stapt af en wandelt de laatste kilometer naast me. ‘Is goed voor mijn benen’, zegt ze. Haar verhaal wordt intenser. Haar stopwoorden ‘begrijpt ge?’ plakken nu aan elke zin. Ze praat over haat, over ongelukkig zijn, over slachtoffer zijn. Want zo noemde de politie haar: slachtoffer. Toch voelt ze zich niet geholpen. En waarom overkomen zulke dingen altijd haar?’ Ze wil dringend ‘een sigaretje’. Ja, dat heeft ze nu zo erg nodig. Een sigaretje. Een beetje troost. Haar stem breekt. Aan de Memory vergrendel ik mijn fiets. Ze huilt nu onbedaarlijk. Ik sla mijn armen om haar heen. ‘Het is niet erg’, zeg ik, ‘laat die tranen maar lopen.’ En opnieuw besef ik dat het hoofd op mijn schouder dat van een totale vreemde is. 

In de Memory, een kleine dancing waarin een schamel hoopje tooghangers, betaal ik haar een cola en trek sigaretten uit de automaat. Ze bedankt me uitgebreid, vraagt mijn telefoonnummer en belooft me morgen te bellen. Ik stap weer de buitenlucht in. Het is lang drie uur voorbij. 

Ik bedenk dat liefde voor een stad precies hier om gaat: de verrassing om elke straathoek.  Hoe dat bijvoorbeeld een vrouw in nood kan zijn. Hoe dat een onverwachte zoektocht oplevert. Hoe je daar een prachtige herinnering -a memory- aan overhoudt.


dinsdag 12 juli 2011

Vuur in huis!

Mijn huis: links ter hoogte van brandladder

Gisteren omstreeks half drie –te heet op het strand en lekker koel boven in de bergen van Ikaria, schreef ik over huizen. Over stenen huizen, plastic huizen, kartonnen huizen, en hoe de zon hier een thuis van maakt. Nooit had ik kunnen vermoeden dat op dat eigenste ogenblik mijn huis in Antwerpen in lichterlaaie stond.
Kortsluiting.
Verzengende hitte.
Vuur!

Ik schrijf dit stukje nu, een uur of twaalf later, zo rond vier uur ’s nachts, na twee liter Ikariotische wijn en talloze telefoontjes. Ik lig uitgestrekt in een comfortabel bed, met een laptop op schoot. Ik heb dat tenminste nog, een bed. Want het kan allemaal erger.

Ik werd pas 's avonds door vrienden uit de buurt op de hoogte gebracht. 
Of ik het al wist? 
Zowel mijn huurders als mijn voormalige buren vergaten me, begrijpelijkerwijs want verkeerden in shock, op de hoogte te brengen. 
Of ik het al wist?  
Ik zat met vrienden aan een laat diner –gebakken inktvis en kefalades en kilo’s Griekse wijn. 
Of ik het al wist?
Wat wist?
‘Brandweer aan je flatgebouw, deuren en vensters ingeslagen … het ziet er ernstig uit … ’

Dit ene telefoontje was het begin van ettelijke andere: ‘Vuur in huis! Kan je even mijn verzekeringen checken?’ 
Wat ben ik blij dat ik bij mijn vertrek in februari, mijn sedentair leven zo strak geordend achterliet. Heel makkelijk nu om het thuisfront wegwijs te maken in mijn papiermolen: grijze lade nummer vier voor verzekeringspapieren. Map met etiket ‘verhuur appartement’ voor adressen en telefoonnummers. Ik heb het allemaal goed geregeld. Rampen voorzien. En wat ik voorzag maar nooit wilde, is gebeurd. Vuurhaard in mijn huis.

Details voor de nieuwsgierigen die mijn flatgebouw kennen: gelijkvloers rechts volledig uitgebrand, inkom en traphal zwartgeblakerd (ter info: was pas gerenoveerd), eerste verdieping enorme rookschade, deuren van appartementen ingestampt, ingebeukt en onherstelbaar beschadigd door overijverige brandweermannen, ruiten ingeslagen. Om het met de woorden van de huisbewaarder (syndicus) te zeggen: ‘Het ziet er niet zo goed uit.'
Positieve info: mijn flat heeft het hele gebeuren wonderwel goed doorstaan. Ik citeer opnieuw onze huisbewaarder: ‘De deuren van de appartementen zijn ingestampt door de brandweer, behalve jouw deur. De ruiten aan de voorzijde van de eerste en tweede verdieping zijn verbrijzeld, behalve jouw ruiten ...’

Ik slik het nieuws en weet niet of ik afgrijzen of dankbaarheid voel. Mijn geluk bij een ongeluk. Een beschermende hand over mijn stukje huis in het flatgebouw. ‘Alsof er niks gebeurd is’, dixit mijn huurder T. die van de brandweer de toestemming kreeg om mijn/zijn huis in te gaan om zijn kat te redden. En toch: mijn flat is evengoed samen met de andere onbewoonbaar verklaard. Voorlopig. Want alles komt goed, toch? Wat zwartgeblakerd is, kan terug wit geverfd worden. Het kon allemaal erger.

Er is bijvoorbeeld niemand gewond. Opnieuw een geluk bij een ongeluk. Alle bewoners zochten elders onderdak. De komende dagen en weken zijn onzeker: voorlopig mag niemand het gebouw in.

‘Of ik het al wist’. Ja, nu wel. En er schiet me een belangrijk zinnetje te binnen: Everything is impermanent. Alles is in beweging. Niets is zeker, zelfs niet de zekerheden die je voor jezelf creëert. En het vreemde is: een ramp als deze brengt een zekere berusting: het komt wel goed. Want een ramp als deze is echt. Dit is het leven. Zulke dingen gebeuren. Een teveel aan zekerheid maakt onrustig, want het is zo ongeloofwaardig. Een ramp als deze brengt –hoe paradoxaal ook- rust en helderheid.

Ik schreef over huizen en thuiskomen op het moment dat mijn huis een vuurhaard was. 
Hoe symbolisch. 
Hoe ongeloofwaardig en vreselijk écht tegelijk.

maandag 11 juli 2011

Ik blijf nog even onderweg

ergens onderweg, Puglia (Italië)

Onderweg. Vanuit de hak van Italië over zee en over land en opnieuw over zee naar Ikaria, Griekenland. Over een week of twee keer ik terug naar Italië. Ben ik met vakantie? Neen. Ik ben onderweg, op reis, in beweging. En met wat geluk tot en met september 2012. Maar niet met vakantie. Dit laatste is echter niet voor iedereen even makkelijk te begrijpen.
Reacties gaan van het wantrouwende ‘dus je gaat nog een jaar op kosten van anderen leven’, tot het verzuchtende ‘ik wou dat ik in je schoenen stond’. Wat het ook zij, zulke reacties verraden hoe anderen in het leven staan, want neen, ik ben niet de spreekwoordelijke lintworm of bloedzuiger. Ik beloof je dat ik snel zal uitleggen. Snel. Nu nog niet. Er woedt een storm in mijn hoofd. Wind en verandering. Eens die wind gaat liggen, schrijf ik weer. En veel. Want de woorden zullen blijven komen. Evenals de ideeën en mijn drang om te creëren.


ergens onderweg

Nu dus Ikaria, waar ik een jaar geleden een droom achterliet. Het geplande nieuwe begin eindigde anders dan verwacht. Ikaria (zie ook berichten van augustus, september en oktober vorig jaar) is ondertussen een beetje 'thuis', en toch ook weer niet. Ik sluit hier een cirkel en begin opnieuw. 
Het voorbije jaar heb ik gemis gekend. Ik heb eenzaamheid gezien en ervaren. Ik heb in grote spiegels gekeken. Ik heb stilte gekend. Ik heb veel geluisterd. Ik heb pijn gevoeld. Fysiek en emotioneel. Ik ben uitgeput geweest en vol energie. Ik heb gelachen en geweend. Ik heb gezien dat kleuren niet overal hetzelfde zijn. Ik heb geleerd dat een glimlach niet overal hetzelfde waard is. Ik heb geleerd over grote stenen huizen, kleine houten huizen, kamers van brokkelbeton, golfplaat of plastic. En ik heb gezien hoe de zon hier telkens een thuis van maakt. 

Zo blijf ik …
En verander ik ...
Zo blijf ik nog even onderweg ...

zaterdag 9 juli 2011

Italië is een postkaart

muur, Monopoli
Bovenstaande foto is een doodgewone foto van een doodgewone muur. Genomen op een doodgewone hete middag in juni. En toch ... het licht dat de zon op deze muur achterlaat, vind ik verre van gewoon. Het is Puur Postkaartlicht. En het is precies dit licht dat mij raakt, mij maakt tot wat ik ben: een Italiëfreak. Want ja, ik ben verliefd op de kleuren die de zon hier achterlaat.  Bovendien kom ik hier, in de hak van het land, de vreemdste dingen tegen: een enorm standbeeld van Jezus aan de oprit van een snelweg, een middeleeuwse boer met ezelskar (zie vorig bericht), een verloren rode fiets aan de rand van een strand. Maar het belangrijkste blijft dit: dat de doodgewoonste dingen -spelende kinderen, een stenen stadsmuur- in het licht van de Italiaanse zon, bijzonder, erg bijzonder en nadrukkelijk mooi worden. Pure esthetiek. Ik heb gezegd. En dat het waar is.


Monopoli

ergens onderweg ... Jezus aan oprit snelweg

fiets aan strand - Puglia

'trulli' of typische ronde huisjes - Albero Bello, Puglia

Sant'Andrea, Puglia


Puglia, ergens onderweg